‘Oestrogeen’ verwijst feitelijk naar een groep chemisch gelijksoortige hormonen – oestradiol (in overvloedige mate voorkomend), oestron en oestriol.
Hormonen zijn essentiële chemische substanties waar vaak naar verwezen wordt als ‘chemische boodschappers’ omdat ze informatie en instructies van de ene groep cellen overdragen naar een andere.
Oestradiol is het voornaamste oestrogeen dat door eierstokken wordt aangemaakt en het is ook het sterkste oestrogeen. Na de menopauze daalt het oestradiolniveau en wordt oestron de voornaamste vorm van oestrogeen in het lichaam wat aangemaakt wordt in de bijnieren en vetcellen.
Nuttige effecten
Oestrogeen heeft de volgende effecten op het lichaam:
- Programmeert de borsten en baarmoeder voor geslachtelijke voortplanting.
- Regelt de cholesterolproductie op zodanige wijze dat daardoor de afzetting van vetten in de kransslagaders beperkt wordt.
- Handhaaft gezond botweefsel door de instandhouding van de juiste balans tussen resp. de aanmaak en afbraak van botweefsel te bevorderen.
Hoe werkt oestrogeen?
Oestrogeen circuleert in de bloedstroom en verbindt zich met oestrogeenreceptoren. Zulke receptoren bevinden zich in talrijke andere weefsels dan die welke geassocieerd worden met de voortplanting, waaronder botweefsel, lever, hart en hersenen. Ze bevinden zich gewoonlijk in de celkern, samen met de DNA-moleculen. Bij afwezigheid van oestrogeen zijn deze receptoren inactief en hebben ze geen invloed op het DNA. Maar wanneer oestrogeen een cel binnenkomt en zich een weg baant tot in de kern, verbindt het zich met de receptor, waarbij het de vorm van de receptor verandert wat op zijn beurt weer het gedrag van de cel beïnvloedt.
In sommige doelweefsels is het belangrijkste effect de celproliferatie. In borstweefsel bijvoorbeeld stimuleert oestrogeen de proliferatie van de cellen van het melkklierweefsel en bereidt daarmee de borsten voor om melk te produceren in het geval dat de vrouw zwanger wordt.